Het verhaal van Pieter Eggel, oorlogsheld in ruste te Midwoud

Kort na de vorming van het Nederlandse koninkrijk leidde een opstand in de zuidelijke gewesten tot de afscheiding van België. In de jaren 1830-1833 ging dat gepaard met militair geweld tussen het koninklijke leger en de opstandelingen. De bekendste herinnering aan die perikelen is het gezegde ‘Dan liever de lucht in’. Die woorden zou commandant Jan van Speijk op 5 februari 1831 hebben uitgesproken alvorens hij zijn kanonneerboot opblies. Het schip was voor de Antwerpse kade onbestuurbaar geraakt en dreigde in handen van de Belgen te komen. Mogelijk voltrok deze kamikaze zich voor de ogen van Pieter Eggel uit Zwaag. Die zat met zijn maten van het 2e bataljon van de 10e afdeling infanterie verschanst in de Citadel, een vesting met uitzicht op de stad en de Schelde.
De toen 24-jarige dienstplichtige soldaat tekende zijn oorlogservaringen
op in een dagboek. Ik stuitte er laatst bij toeval op in het Westfries Archief. Andere bronnen onthullen dat hij de laatste veertig jaar van zijn leven in Midwoud woonde, in een gemeentelijke armenwoning schuin tegenover het huidige café Halfweg. Dat maakt nieuwsgierig: was hij na de oorlog aan lager wal geraakt? Dat is niet ondenkbaar, aangezien zijn dagboek een opsomming is van traumatische ervaringen als bombardementen, vuurgevechten en vele ‘dooden en gekwetsten’.

Toen de Belgen steun kregen van Franse troepen moest Nederland de Citadel eind december 1832 opgeven. De krijgsgevangen soldaten trokken vervolgens te voet richting Frankrijk. Pieter schrijft dat hij tijdens deze barre tocht in de ijzige kou ‘van stijfheid en stukkende voeten bijna niet meer gaan konde.’ Het dagboek eindigt abrupt in januari 1833, als de mannen, hunkerend naar ‘gekookt eeten’, in een kazerne verblijven. Pieters sporen in de ruim tien jaar daarna zijn onduidelijk.
In ieder geval vestigde hij zich, behangen met vier medailles, begin 1845 in Midwoud. Hij trouwde met Maartje Heins en verdiende de kost als dagloner. Vermoedelijk verging het hen niet voorspoedig. In 1860 doet het echtpaar een beroep op ondersteuning in levensonderhoud. De gemeentelijke uitkering bedraagt 1 gulden en 50 cent per week. Na Maartjes dood in 1880 leeft Pieter nog zeven jaar. De lokale krant schrijft na het overlijden dat zijn ‘levensavond ook wel eens bewolkt was, en de gebreken des ouderdoms hem begonnen te kwellen’. Toch heeft het ‘hem dank zij de onbekrompene wijze van de verzorging van het Armbestuur, nimmer aan het noodige ontbroken.’ Zo bekend als Van Speijk werden eenvoudige soldaten als Eggel niet, maar zijn dagboek is een uniek archiefstuk dat hem niet doet vergeten.
Een toepasselijk Amerikaans gezegde luidt: ‘Old soldiers never die, they just fade away’.

Bronnen (beknopt): WFA 0822, inv. 894; 883; /0216, inv. 491; 99L; 430; /0883, inv. 1, p. 137; Div. bevolkingsrgst.; Rijksms.; Met dank aan Yvonne Pater voor het krantenbericht en het nagaan van Eggels adres.